Cultuur & gewoontes

         van Nederland

Teksten 1 tot en met 4

op A1-A2 niveau over:

 

  1. Fietsen
  2. Hagelslag
  3. Verjaardagsfeest 
  4. Stroopwafels

Fietsen

Mensen in Nederland houden van fietsen. Iedereen heeft een fiets. Er zijn meer fietsen dan mensen.

Fietsen is gezond en leuk. Het is goed voor de natuur. Veel mensen fietsen naar hun werk. Kinderen fietsen naar school.

Nederland is plat. Er zijn geen bergen. Fietsen is dus gemakkelijk. Er zijn veel fietspaden. Deze paden zijn veilig.

In de steden zijn fietsenstallingen. Utrecht heeft een grote fietsenstalling. Hier staan 12.500 fietsen. Amsterdam heeft veel fietsen.

In het water liggen fietsen. Mannen halen fietsen uit het water. Dit noemen we “fietsvissen”.

Een vrouw fietst naar haar werk. Zij ziet een mooie regenboog. Zij stopt en maakt een foto. De foto wint een prijs.

Kinderen leren vroeg fietsen. Scholen helpen met fietsen leren. Toeristen huren fietsen in Nederland. Fietsen geeft vrijheid en plezier.

Nederlanders fietsen in de regen. Nederland heeft veel regen. Mensen dragen speciale regenkleding. Fietsen is altijd fijn.

Fietsen is belangrijk in Nederland. Het is deel van de cultuur. Iedereen fietst met plezier.

Vragen bij de tekst

1. Wat is het meervoud van “fiets”?

A. Fiets

B. Fietsen

C. Fietser

D. Fietsers

2. Wat is de tegenwoordige tijd van “fietsen” voor ‘zij’ (enkelvoud)?

A. Fiets

B. Fietste

C. Fietsen

D. Fietst

3. Wat is het juiste lidwoord voor “fiets”?

A. De

B. Het

C. Een

D. Dit

4. Wat is het tegenovergestelde van “hoog”?

A. Lang

B. Klein

C. Diep

D. Laag

5. Wat is de overtreffende trap van “groot”?

A. Groot

B. Groter

C. Grootst

D. Grootste

6. Wat hebben veel mensen in Nederland?

A. Een auto

B. Een fiets

C. Een boot

D. Een huis

7. Waar fietsen kinderen vaak heen?

A. Naar school

B. Naar werk

C. Naar de winkel

D. Naar het park

8. Waarom is fietsen gemakkelijk in Nederland?

A. Het is goedkoop

B. Het land is plat

C. Er zijn tunnels

D. Er is veel zon

9. Wat doen mannen met fietsen in het water?

A. Ze repareren ze

B. Ze halen ze eruit

C. Ze verkopen ze

D. Ze laten ze liggen

10. Wat dragen mensen als het regent?

A. Korte broek

B. Regenkleding

C. Zonnebril

D. Sandalen

Antwoorden bij de vragen

  1. a
  2. d
  3. a
  4. d
  5. c
  6. b
  7. a
  8. b
  9. b
  10. b

Hagelslag

Hagelslag is een Nederlands broodbeleg. Hagelslag is heel populair. Hagelslag is kleine stukjes chocola. Je eet hagelslag op brood. Het is lekker en zoet. Veel mensen houden van hagelslag.

Nederlandse kinderen eten vaak hagelslag. Zij eten het bij het ontbijt. Soms ook bij de lunch. Volwassenen eten het ook. Iedereen in Nederland kent hagelslag.

Er zijn veel soorten hagelslag. Je hebt pure hagelslag, melk hagelslag en witte hagelslag. Soms is er gekleurde hagelslag. Deze is voor feestdagen. Bijvoorbeeld, rood-wit-blauwe hagelslag.

Hagelslag komt uit Nederland. Het idee komt van een bakker. Hij wilde iets lekkers maken. Nu kun je hagelslag in elke winkel kopen. Het is niet duur.

Je doet hagelslag op boterhammen. Eerst smeer je boter op brood. Dan doe je er hagelslag bovenop. Nu is je boterham klaar. Heb je al honger?

Hagelslag is ook leuk voor kinderen. Kinderen maken mooie broodjes. Ze strooien hagelslag erop. Dat is heel leuk om te doen. Soms maken ze vormen met hagelslag.

In andere landen is er geen hagelslag. Buitenlanders vinden het vaak vreemd. Zij eten geen chocola op brood. Daarom is het speciaal in Nederland.

Veel toeristen proberen hagelslag. Zij zijn vaak verrast. Soms kopen zij het voor thuis. Zo leren zij iets Nederlands.

Wil je een Nederlands ontbijtje? Probeer dan hagelslag. Het is een mooie traditie. Een beetje zoet, maar lekker. Eet smakelijk!

Vragen bij de tekst

 

1. Wat is hagelslag?

a) Brood

b) Kaas

c) Kleine stukjes chocola 

d) Fruit

 

2. Wat smeer je eerst op brood?

a) Jam

b) Boter 

c) Honing

d) Kaas

 

3. Welke kleur hagelslag is er niet genoemd?

a) Rood

b) Blauw

c) Groen 

d) Wit

 

4. Wat doe je met hagelslag?

a) Koken

b) Eten

c) Drinken

d) Rijden

 

5. Hagelslag komt uit …

a) België

b) Duitsland

c) Frankrijk

d) Nederland 

6. Wanneer eten kinderen hagelslag?

a) Bij het ontbijt 

b) Bij het avondeten

c) Bij de borrel

d) Bij het toetje

 

7. Wat is hagelslag: duur of goedkoop?

a) Duur

b) Goedkoop 

c) Heel duur

d) Gratis

 

8. Wie maakte het idee van hagelslag?

a) Kok

b) Bakker 

c) Boer

d) Ober

 

9. Wat vinden buitenlanders vaak van hagelslag?

a) Gewoon

b) Vreemd 

c) Saai

d) Lekker

 

10. Wie koopt hagelslag voor thuis?

a) Nederlanders

b) Bakkers

c) Boeren

d) Toeristen

Verjaardagsfeest

In Nederland vieren mensen graag verjaardagen. Op een verjaardag krijgt de jarige veel bezoek. De mensen brengen cadeautjes mee. Dit is heel normaal. Een verjaardag begint vaak ’s middags. De gasten komen binnen en zeggen “Gefeliciteerd!”. Dit is een belangrijk woord. Wel raar is dat men tegen iedereen ¨gefeliciteerd” zegt, niet alleen tegen de jarige. Daardoor weet je niet altijd wie er jarig is. 

De jarige persoon maakt koffie of thee. Er is vaak taart of vlaai. Iedereen eet samen de taart. Dat is gezellig. Na de koffie drinken zij frisdrank of bier. Soms is er wijn. De gasten zitten in een kring. Dit heet “het kringetje”.

Bij een verjaardagsfeest zingen de mensen vaak. Zij zingen een lied. Het lied heet “Lang zal hij/zij leven”. Dit is een vrolijk lied. De mensen zingen voor de jarige. Er is muziek en soms dansen ze.

Kinderen vieren ook verjaardagen. Zij versieren het huis met slingers. Ook hangen zij ballonnen op. De kinderen krijgen veel cadeautjes. Er is taart en soms pannenkoeken. Dit vinden kinderen heel leuk.

Op school delen kinderen ook uit. Dit heet trakteren. De kinderen geven lekkers aan de klasgenoten. Vaak zijn dit snoepjes of koekjes. De kinderen zingen ook voor de jarige vriend of vriendin.

Verjaardagen zijn speciaal in Nederland. Iedereen maakt het gezellig. Bij het afscheid zeggen de mensen “Bedankt voor de uitnodiging!” 

Vragen bij de tekst

 

1. Welk woord betekent ‘feest’ in de tekst?

a) Lied

b) Bezoek

c) Partijtje

d) Uitnodiging

 

 2. Wat is de vertaling van “jarige”?

a) Cake

b) Verjaardag

c) Verjaardagsfeest

d) Degene die jarig is 

 

3. Welke regelmatige werkwoord staat in de tekst?

a) Zingt

b) Is

c) Heet

d) Leven 

 

4. Wanneer beginnen de verjaardagen vaak?

a) ’s Nachts

b) ’s Middags 

c) Avonds

d) Ochtends

 

5. Wat betekent “kringetje”?

a) Lied

b) Verjaardag

c) Zitten in een opstelling 

d) Cadeautjes

6. Wat brengen de mensen mee?

a) Cadeautjes 

b) Frisdrank

c) Bier

d) Slingers

 

7. Hoe heten taartjes vaak ook?

a) Slingers

b) Taart

c) Vlaai 

d) Koekjes

 

8. Welke drank wordt vaak geserveerd?

a) Limonade

b) Koffie of thee 

c) Water

d) Sap

 

9. Wat zingen de mensen op een verjaardag?

a) Gefeliciteerd

b) Dag vriend

c) Lang zal hij/zij leven 

d) Vrolijk lied

 

10 Wat doen kinderen op school?

a) Trakteren 

b) Zingen

c) Dansen

d) Slapen

 

 

Antwoorden bij de vragen

        1. c
        2. d
        3. d
        4. b
        5. c
        6. a
        7. c
        8. b
        9. c
        10. a

    Stroopwafels

    Nederlanders eten veel stroopwafels. Stroopwafels zijn heel lekker. Ze zijn zoet en krokant. Een stroopwafel heeft twee dunne wafels. Tussen de wafels zit stroop. De stroop is dik en zoet.

    Stroopwafels zijn overal in Nederland. Je vindt ze in de winkel. Je ziet ze op de markt. Je kunt ze ook thuis maken. Veel Nederlanders houden van stroopwafels. Zij eten ze bij de thee of koffie. Stroopwafels zijn ook leuk als cadeau.

    Buitenlanders vinden stroopwafels ook lekker. Ze proeven stroopwafels in Nederland. Ze nemen stroopwafels mee naar huis. Stroopwafels zijn heel populair in Amerika. Daar kopen mensen ook stroopwafels. Zij eten ze als snack of dessert.

    Nederlanders maken soms warme stroopwafels. Je legt een stroopwafel op de koffie. De stroop smelt een beetje. Dan is de stroopwafel nog lekkerder. Kinderen en volwassenen vinden dit leuk.

    Een stroopwafel is makkelijk te eten. Je hebt geen bord of vork nodig. Je kunt een stroopwafel overal eten. In de stad, op werk of thuis.

    Sommige mensen eten elke dag een stroopwafel. Anderen eten ze soms. Er zijn ook grote en kleine stroopwafels. Iedereen vindt wel een stroopwafel die zij lekker vinden.

    Als je Nederlands leert, moet je stroopwafels proberen. Je zult ze lekker vinden!

    Vragen bij de tekst

     

    1. Hoeveel dunne wafels heeft een stroopwafel?

    a) Eén
    b) Twee
    c) Drie
    d) Vier 

    2. Waar zit de stroop in een stroopwafel?

    a) Naast de wafel
    b) Onder de wafel
    c) Tussen de wafels
    d) Op de wafel 

    3. Wat eten Nederlanders vaak bij thee of koffie?

    a) Appeltaart
    b) Stroopwafels
    c) Kaas
    d) Pannenkoeken 

    4. Waar kun je stroopwafels kopen?

    a) In de droger
    b) In de winkel
    c) Bij de bank
    d) In het park 

    5. Wat smelt als je een warme stroopwafel maakt?

    a) De wafel
    b) De koffie
    c) De thee
    d) De stroop 

     

    6. “Nederlanders eten veel stroopwafels.” Welk woord is het werkwoord?

    a) Veel
    b) Eten
    c) Stroopwafels
    d) Nederlanders 
     

    7. “Tussen de wafels zit stroop.” Wat is het onderwerp?

    a) De wafels
    b) Stroop
    c) Tussen
    d) Zit 

    8. “Je hebt geen bord nodig.” Wat betekent “geen”?

    a) Wel
    b) Veel
    c) Niet
    d) Soms 

    9. “De stroop smelt een beetje.” Welk woord is het zelfstandig naamwoord?

    a) Smelt
    b) Een
    c) Beetje
    d) Stroop  

    10. “Je kunt een stroopwafel overal eten.” Welk woord is een plaatswoord?

    a) Eten
    b) Overal
    c) Stroopwafel
    d) Kunt

    Antwoorden bij de vragen

          1. b
          2. c
          3. b
          4. b
          5. d
          6. b
          7. b
          8. c
          9. d
          10. b