Het land 

    Nederland

Teksten 1 tot en met 4

op A1-A2 niveau over:

 

  • Nederland en het water
  • Nationaliteiten in Nederland
  • Wie is de baas van Nederland?
  • Nederlandse bevolking

Nederland en het water

Nederland heeft veel water. Water is overal. Nederland heeft veel rivieren. Ook heeft Nederland veel meren. Water is heel belangrijk. Nederland ligt onder de zee. Er zijn dijken. Dijken houden het water weg. Zonder dijken is er water. Dan is er veel water. Rivieren zijn lang. Rivieren hebben veel water. Mensen varen met boten. Dat is heel leuk. Meren zijn stil. Mensen zwemmen in meren. Dat is leuk in de zomer.

Nederland heeft ook kanalen. Kanalen zijn smal. Mensen varen op kanalen. Amsterdam heeft veel kanalen. Dat is mooi om te zien. Mensen maken lange wandelingen. Ook fietsen zij langs de kanalen. Water is mooi en handig.

Mensen werken met water. Zij maken land droog. Dat heet polder. Polders zijn bijzondere stukken land. Polders zijn belangrijk. Mensen wonen op polders. Mensen bouwen huizen op polders. Water is overal in Nederland.

Het water brengt werk. Vissers vangen vis in zee. Schepen varen naar andere landen. Water is leven in Nederland. Mensen vinden water fijn. Water heeft ook gevaar. Soms is er een storm. Dan komt er veel water. Mensen maken dijken sterk.

Kinderen spelen graag in water. Zij zwemmen en varen. Ook vissen mensen in water. Water is gezellig. Water is Nederland. Nederland is beroemd om water. Water maakt Nederland bijzonder.

Vragen bij de tekst

1. Wat is overal in Nederland?

a. Bomen

b. Bergen

c. Water

d. Wegen

2. Waar varen mensen?

a. In het park

b. Op rivieren

c. Op school

d. In winkels

3. Wat houden dijken weg?

a. Fietsen

b. Afval

c. Water

d. Mensen

4. Wat doen mensen in meren?

a. Fietsen

b. Zwemmen

c. Werken

d. Lopen

5. Wat maken mensen droog?

a. Rivieren

b. Polders

c. Kanalen

d. Boten

6. Wat is een polder?

a. Een berg

b. Droog land

c. Een rivier

d. Een boom

7. Welke zin is juist?

a. Mensen zwemt in water.

b. Vissers vangen vis.

c. Dijken is sterk.

d. Nederland houdt van bergen.

8. Welk woord is een werkwoord?

a. Water

b. Zwemmen

c. Huizen

d. Dijken

9. Wat doen kinderen graag?

a. Werken

b. Zwemmen

c. Bouwen

d. Wonen

10. Welke zin is goed?

a. Rivieren is lang.

b. Mensen woont op polders.

c. Water maakt Nederland bijzonder.

d. Vissers varen huizen.

Antwoorden bij de vragen

        1. c
        2. c
        3. c
        4. c
        5. c
        6. b
        7. b
        8. b
        9. b
        10. c

Nationaliteiten in Nederland

Nederland is een klein land. In Nederland wonen veel mensen. Deze mensen komen uit veel landen. De mensen hebben veel nationaliteiten.

Er zijn mensen uit Turkije. Ze spreken Turks. Ze komen naar Nederland voor werk. Ze wonen nu in Nederland. Ze hebben kinderen. De kinderen spreken Nederlands.

Er zijn ook mensen uit Marokko. Ze spreken Arabisch of Berbers. Ze wonen hier en werken hier. Ze hebben ook kinderen. Hun kinderen gaan naar school. De kinderen leren Nederlands.

De mensen uit Polen zijn nieuw. Ze werken hard. Ze werken in de bouw. Ze werken op het land. De mensen uit Polen spreken Pools. Ze leren ook Nederlands.

Mensen uit Suriname spreken Nederlands. Suriname was een kolonie van Nederland. De mensen komen hier voor een beter leven. Ze spreken vaak ook nog een andere taal. Ze eten lekker eten.

Er zijn veel Indonesische mensen. Ze komen uit Indonesië. Indonesië was ook een kolonie. De mensen spreken Indonesisch. Ze komen hier wonen. Ze werken hier.

Mensen uit alle landen eten ander eten. Ze hebben andere feestdagen. Ze vieren Sinterklaas en Kerst. Ze vieren ook hun eigen feestdagen. Dat is heel leuk.

Nederland is rijk door al die mensen. Ze werken samen. Ze wonen samen. Ze hebben kinderen. De kinderen spreken allemaal Nederlands. Nederland is dus heel bijzonder. Er wonen veel verschillende mensen.

Vragen bij de tekst

1. Welke tijd gebruiken de werkwoorden in de tekst?
a) Verleden tijd
b) Tegenwoordige tijd
c) Toekomende tijd
d) Geen werkwoord

2. Wat is de Nederlandse betekenis van ‘kinderen’?
a) Ouders
b) Jongens
c) Meisjes
d) Jonge mensen

3. Welke taal spreekt men in Polen?
a) Pools
b) Turks
c) Arabisch
d) Berbers

4. Wat vieren mensen op 25 december?
a) Pasen
b) Sinterklaas
c) Ramadan
d) Kerst

5. Wat is een ander woord voor ‘wonen’?
a) Eten
b) Leven
c) Loopt
d) Spelen

6. Welke mensen spreken Berbers?
a) Mensen uit Turkije
b) Mensen uit Marokko
c) Mensen uit Polen
d) Mensen uit Suriname

7. Welk land was een kolonie van Nederland?
a) Polen
b) Turkije
c) Suriname
d) Marokko

8. Waar werken de mensen uit Polen?
a) In restaurants
b) In de bouw
c) In winkels
d) In ziekenhuizen

9. Welke mensen spreken Nederlands en een andere taal?
a) Mensen uit Marokko
b) Mensen uit Polen
c) Mensen uit Suriname
d) Mensen uit Turkije

10. Waarom komen de mensen uit Turkije naar Nederland?
a) Voor vakantie
b) Voor werk
c) Voor familie
d) Voor studie

Antwoorden bij de vragen

        1. b
        2. d
        3. a
        4. d
        5. d
        6. b
        7. c
        8. b
        9. c
        10. b

    Wie is in Nederland de baas?

    In Nederland heeft niemand echt de macht alleen. De koning is een belangrijk persoon. Hij doet belangrijke dingen. Maar de koning heeft niet de macht.

    Het kabinet heeft ook veel macht. Het kabinet heeft ministers. Ministers maken plannen en regels. Maar ministers doen dit niet alleen.

     De Kamer, dat zijn veel mensen. Zij praten over de plannen. Zij stemmen over de regels. Pas dan zijn de regels echt. De Kamer kijkt of alles goed gaat.

    De burgemeester is de baas in de stad. Hij zorgt voor veiligheid. Hij zorgt dat de stad netjes is. Maar ook hij heeft niet alle macht.

    In Nederland werken veel mensen samen. Zo is er een goede balans. Niet één persoon heeft alle macht. Dat is belangrijk.

    Vragen bij de tekst

    1. Wat doet de koning?

       a. Hij maakt regels.

       b. Hij doet belangrijke dingen.

       c. Hij stemt.

       d. Hij werkt in de stad.

    2. Wat is een kabinet?

       a. Eén persoon.

       b. Een groep ministers.

       c. Een deel van de stad.

       d. De koning.

    3. Wat betekent “de stad”?

       a. Het land.

       b. Een groot dorp.

       c. Een plaats met veel mensen.

       d. Een klein dorp.

    4. Wie maakt regels?

       a. De koning.

       b. De Kamer.

       c. De ministers.

       d. De burgemeester.

    5. Wat is balans?

       a. Alleen de koning heeft macht.

       b. Iedereen heeft alle macht.

       c. Niemand werkt samen.

       d. Niemand heeft alle macht.

    6. Wie zorgt voor veiligheid in de stad?

       a. De koning.

       b. De ministers.

       c. De Kamer.

       d. De burgemeester.

    7. Wat doet de Kamer?

       a. Beslist alles.

       b. Maakt plannen.

       c. Praten en stemmen.

       d. Zorgt voor veiligheid.

    8. Waar kijkt de Kamer naar?

       a. Naar de koning.

       b. Of alles goed gaat.

       c. Naar de burgemeester.

       d. Naar de stad.

    9. Wie heeft echt de macht in Nederland?

       a. Alleen de koning.

       b. Het kabinet.

       c. De Kamer.

       d. Niemand alleen.

    10. Waarom is een balans belangrijk?

        a. Voor samenwerking.

        b. Voor de stad.

        c. Voor de koning.

        d. Voor de minister.

    Antwoorden bij de vragen

          1. b
          2. b
          3. c
          4. c
          5. d
          6. d
          7. c
          8. b
          9. d
          10. a

    Nederlandse bevolking

    Nederland is een klein land. Veel mensen wonen in Nederland. Nederlanders zijn mensen uit verschillende landen. Ze wonen samen in steden en dorpen. Ze komen uit landen zoals Turkije, Marokko en Suriname. Veel mensen zijn hier geboren. Anderen komen later naar Nederland.

    Nederland heeft twaalf provincies. Elke provincie heeft steden en dorpen. In de stad wonen veel mensen. In het dorp wonen minder mensen. Mensen spreken Nederlands. Maar er zijn ook andere talen. Sommige mensen spreken thuis een andere taal.

    Kinderen gaan naar school. Op school leren ze Nederlands. Kinderen leren ook over Nederland. Ze leren over de steden en dorpen. Ze leren over de mensen in Nederland.

    De mensen werken op veel plekken. Sommigen werken in een kantoor. Anderen werken in een winkel. Veel mensen werken op het land.

    Mensen in Nederland helpen elkaar. Ze leven samen in een klein land. Ze vinden het belangrijk om samen te leven. Ze hebben respect voor elkaar.

    Vragen bij de tekst

    1. Waar wonen veel mensen samen?

       a) In een groot huis

       b) In steden en dorpen

       c) Op stranden

       d) In bossen

    2. Uit welke landen komen mensen?

       a) China, India, Zuid-Afrika

       b) Turkije, Marokko, Suriname

       c) Brazilië, Argentinië, Chili

       d) Rusland, Oekraïne, Polen

    3. Wat spreken mensen thuis soms nog?

       a) Engels

       b) Een andere taal

       c) Alleen Nederlands

       d) Frans

    4. Wat doen kinderen op school?

       a) Spelen

       b) Leren

       c) Werken

       d) Slapen

    5. Waar werken veel mensen?

       a) In de lucht

       b) Op zee

       c) Op het land

       d) In de ruimte

     

    6. “Nederland is een klein land.” Wat betekent ‘klein’?

    a) Groot

    b) Klein

    c) Hoog

    d) Breed

    7. Wat betekent ‘provincies’ in het Nederlands?

    a) Steden

    b) Gewesten

    c) Gebouwen

    d) Straten

    8. “Op school leren ze Nederlands.” Wat betekent ‘leren’?

    a) Spelen

    b) Studeren

    c) Zingen

    d) Slapen

    9. Wat betekent ‘respect’?

    a) Vriendschap

    b) Eerlijkheid

    c) Achtzaamheid

    d) Vijandschap

    10. “Ze vinden het belangrijk om samen te leven.” Wat betekent ‘belangrijk’?

    a) Onbelangrijk

    b) Essentieel

    c) Moeilijk

    d) Makkelijk

    Antwoorden bij de vragen

     

      1. b
      2. b
      3. b
      4. b
      5. c
      6. b
      7. b
      8. b
      9. c
      10. b