Wegwijs
in Nederland
Teksten 1 tot en met 4
op A1-A2 niveau over:
- Kinderopvang
- Rijbewijs
- Mondhygiënist
- Zwemles
Kinderopvang
Beluister onderstaande tekst
In Nederland is kinderopvang normaal. Ouders werken vaak. Ze brengen hun kinderen naar de opvang. Kinderopvang is een plek voor kinderen. Hier spelen ze met andere kinderen. De kinderen krijgen eten en drinken.
Kinderopvang is veilig. Er zijn veel regels. De kinderen zijn bij aardige mensen. Deze mensen zijn gekwalificeerd. Zij zorgen goed voor de kinderen. De kinderen leren veel dingen. Ze leren delen en luisteren. Ze leren ook spelen en vriendjes maken.
Kinderopvang is niet gratis. Ouders betalen voor de opvang. De regering helpt soms. Ouders krijgen dan geld terug. Dit heet kinderopvangtoeslag. Ouders vragen dit geld aan. De opvang is vaak de hele dag open. Ouders kiezen zelf de tijden. Ze brengen hun kinderen en halen ze op.
Soms werken ouders thuis. Dan hebben ze geen opvang nodig. Soms werken ze buitenshuis. Dan gaan de kinderen naar de opvang. Het is belangrijk dat de opvang dichtbij is. Ouders kiezen vaak opvang in de buurt.
Kinderopvang is voor jonge kinderen. Vanaf twee jaar tot vier jaar. Na vier jaar gaan kinderen naar school. Zij hebben dan geen opvang meer nodig. Soms gaan oudere kinderen na school naar de opvang. Dit heet naschoolse opvang.
Kinderopvang heeft veel voordelen. Kinderen zijn blij en leren veel. Ouders kunnen rustig werken. Iedereen is tevreden. Kinderopvang is goed geregeld in Nederland. Veel andere landen hebben ook kinderopvang. Maar Nederland heeft veel regels.
Vragen bij de tekst
1. Wat is kinderopvang?
a) Een plek voor ouders
b) Een plek voor kinderen
c) Een plek voor dieren
d) Een plek voor speelgoed
2. Hoe helpen de mensen bij de opvang?
a) Zij leren sport
b) Zij leren koken
c) Zij zorgen voor de kinderen
d) Zij werken niet
3. Wat is kinderopvangtoeslag?
a) Geld voor ouders
b) Geld voor de opvang
c) Geld voor kinderen
d) Geld voor scholen
4. Hoe oud zijn kinderen op de opvang?
a) Twee tot vier jaar
b) Vier tot zes jaar
c) Eén tot drie jaar
d) Vijf tot zeven jaar
5. Wie kiest de tijden voor kinderopvang?
a) De kinderen
b) De regering
c) De ouders
d) De school
6. Wat betekent het woord “luisteren”?
a) Kijken
b) Horen
c) Leren
d) Zingen
7. Wat is het lidwoord van “kinderen”?
a) Het
b) De
c) Een
d) Geen
8. Wat is het tegenovergestelde van “veilig”?
a) Groot
b) Droog
c) Gevaarlijk
d) Klein
9. Wat is de tegenwoordige tijd van ‘werken’ in de Ik-vorm?
a) Werkten
b) Werk
c) Werkt
d) Werkte
10. Hoeveel woorden zijn in de zin: “De kinderen krijgen eten en drinken”?
a) Vier
b) Vijf
c) Zes
d) Zeven
Antwoorden bij de vragen
-
-
-
- b
- c
- a
- a
- c
- b
- b
- c
- b
- c
-
-
Rijbewijs
Beluister onderstaande tekst
Nederlands leren is leuk. In Nederland zijn regels. Heb je een rijbewijs? Kom je uit een ander land?
Eerst mag je een buitenlands rijbewijs gebruiken. Dat mag voor zes maanden. Oftewel, om hetzelfde zeggen, dat mag zes maanden in Nederland. Na zes maanden moet je een Nederlands rijbewijs hebben.
Je kunt het rijbewijs omwisselen. Dit moet bij de gemeente. Dat moet een gemeente in Nederland zijn.
Wat heb je nodig? Je hebt een geldig rijbewijs nodig. En je hebt een pasfoto nodig. En ook een geldige verblijfsvergunning. De gemeente helpt je. Je krijgt dan een Nederlands rijbewijs.
Elk land heeft regels. Nederland heeft regels over rijbewijzen. Buitenlandse rijbewijzen zijn soms geldig. Soms niet, dat ligt aan het land.
Sommige landen hebben andere regels. Bijvoorbeeld Canada, en nog andere landen. Deze landen hebben andere regels. Die zijn anders voor de rijbewijzen.
Wat als je rijbewijs niet geldig is? Dan moet je het opnieuw halen. Dan moet je opnieuw examen doen. Het rijexamen is moeilijk. Eerst theorie leren. Dan praktijk leren. Theorie gaat over de regels. Praktijk gaat over het rijden in de auto. Nederland heeft strenge regels.
Samenvattend, je rijbewijs is zes maanden geldig. Daarna is een Nederlands rijbewijs nodig. Mogelijk kan dat zonder examen. Anders moet je opnieuw examen doen.
Vragen bij de tekst
1. Hoe lang is een buitenlands rijbewijs geldig in Nederland?
A) Drie maanden
B) Een maand
C) Zes maanden
D) Eén jaar
2. Waar moet je het rijbewijs omwisselen?
A) Bij de politie
B) Bij de dokter
C) Bij de gemeente
D) Bij de bank
3. Wat heb je niet nodig voor omwisselen?
A) Rijbewijs
B) Pasfoto
C) Geldige verblijfsvergunning
D) Telefoonnummer
4. Welke is moeilijker, theorie of praktijk?
A) Theorie
B) Praktijk
C) Beide
D) Geen van beide
5. Wat betekent ‘geldig’?
A) Nieuw
B) Goed
C) Slecht
D) Grappig
6. Wat is het juiste lidwoord: “De ___?”
A) stoel
B) een
C) zonder
D) leuk
7. Wat betekent ‘regels’?
A) Boeken
B) Auto’s
C) Lessen
D) Voorschriften
8. Welke vorm is juist? “Hij ___ een rijbewijs.”
A) krijgen
B) heeft
C) haal
D) zal
9. Wat is een pasfoto?
A) Foto van een stad
B) Foto van de zee
C) Foto voor reisdocumenten
D) Foto van vrienden
10. Wat is ‘gemeente’?
A) School
B) Theater
C) Plaats voor stadszaken
D) Winkels
Antwoorden bij de vragen
-
-
-
- c
- c
- d
- c
- b
- a
- d
- b
- c
- c
-
-
Mondhygiënist
Beluister onderstaande tekst
In Nederland gaan veel mensen naar de mondhygiënist. Een mondhygiënist reinigt de tanden. Het is goed voor de tanden. Veel mensen gaan elk half jaar. Dit is een gewoonte.
Een tandarts kijkt naar de tanden. De tandarts kijkt of alles goed is. Maar de mondhygiënist maakt schoon. Zij haalt tandsteen weg. Tandsteen is hard geworden plak. Dat is niet goed voor de tanden.
De mondhygiënist geeft ook advies. Zij vertelt hoe je poetst. Je leert veel van haar. Zo blijven je tanden gezond.
Kinderen gaan eerst naar de tandarts. Maar dan ook naar de mondhygiënist. Dit is heel gewoon in Nederland.
Mensen gaan vaker naar de mondhygiënist dan naar de tandarts. Een mondhygiënist kijkt beter naar schoonmaken. De tandarts kijkt naar problemen. Zij werken samen.
Waarom gaan mensen vaak naar de mondhygiënist? Omdat het beter is voor de tanden. Goede tanden zijn belangrijk. Dat weet iedereen in Nederland.
Een bezoek aan de mondhygiënist is niet eng. Je ligt in een stoel. Zij maakt je tanden schoon. Dat duurt niet lang. De mondhygiënist is aardig. Zij helpt je goed.
Als je in Nederland woont, moet je ook naar de mondhygiënist. Dit is een Nederlandse gewoonte. Zo leer je de taal en ook de cultuur. Dat is leuk.
Vragen bij de tekst
1. Wat doet een mondhygiënist?
A) Zij geeft medicijnen
B) Zij reinigt de tanden
C) Zij maakt de bril schoon
D) Zij repareert auto’s
2. Hoe vaak gaan mensen naar de mondhygiënist?
A) Elke maand
B) Elk jaar
C) Elk half jaar
D) Elke week
3. Wat haalt de mondhygiënist weg?
A) Tandsteen
B) Oorsteen
C) Haarsteen
D) Nagelsteen
4. Wat geeft de mondhygiënist ook?
A) Geld
B) Boeken
C) Advies
D) Melk
5. Wat is tandsteen?
A) Plak die hard is geworden
B) Koud water
C) Harde bril
D) Schoon papier
6. Wat is de tegenwoordige tijd van “gaan”?
A) Gieden
B) Ging
C) Gaan
D) Zal gaan
7. Wat betekent “gewoonte”?
A) Een huis
B) Een gebruik
C) Een dier
D) Een tand
8. Wat is “zij” in de zin “zij poetst de tanden”?
A) een ding
B) een persoon
C) een dier
D) een plant
9. Hoeveel woorden heeft de zin “De mondhygiënist maakt schoon”?
A) Drie
B) Vier
C) Vijf
D) Zes
10. Wat is het tegenovergestelde van “goed”?
A) Leuk
B) Groot
C) Slecht
D) Klein
Antwoorden bij de vragen
-
-
- b
- c
- a
- c
- a
- c
- b
- b
- b
- c
-
Zwemles
Beluister onderstaande tekst
In Nederland leren kinderen zwemmen. Zwemmen is belangrijk hier. Er zijn veel rivieren en meren. Kinderen beginnen met zwemles als ze vijf jaar zijn. Ze gaan naar een zwembad. In het zwembad is een leraar. De leraar helpt de kinderen. Kinderen dragen vaak badkleding. Ze moeten goed luisteren. Ze leren verschillende dingen. Eerst leren ze drijven. Drijven is belangrijk. Daarna leren ze steken. Drijven is op je rug liggen. Steken is met de armen bewegen. Ze leren ook trapbewegingen. Trapbewegingen zijn met de benen.
Als kinderen beter worden, zwemmen ze zonder hulp. Ze krijgen soms een zwemdiploma. Een zwemdiploma is een bewijs. Met een zwemdiploma kunnen kinderen goed zwemmen. Zwemlessen zijn vaak één keer per week. Kinderen vinden zwemles vaak leuk. Ze spelen soms in het water. Veiligheid is heel belangrijk. Daarom zijn er regels. Kinderen dragen vaak een band. Een band helpt bij het drijven.
Sommige kinderen vinden zwemles moeilijk. Ze zijn bang voor water. De leraar helpt dan extra. Ouders kunnen ook helpen. Ze geven kinderen vertrouwen. Kinderen voelen zich dan beter. Zwemmen is niet alleen leuk. Het is ook gezond. Zwemmen is goed voor de spieren.
In Nederland is zwemmen een traditie. Ouders gingen als kind ook naar zwemles. Zwemmen hoort bij de cultuur. Zwemmen kunnen is belangrijk. Het geeft vrijheid. Je kunt veilig zwemmen. Bijna alle kinderen krijgen een zwemdiploma. Ze kunnen dan zwemmen op vakantie. Ze kunnen ook zwemmen in de zee. Zwemmen blijft belangrijk in Nederland.
Vragen bij de tekst
1. Waarom leren kinderen zwemmen?
a) Omdat het traditie is
b) Omdat het goedkoop is
c) Omdat ze moeten
d) Omdat het saai is
2. Wat leren kinderen eerst?
a) Steken
b) Drijven
c) Zwemmen zonder hulp
d) Trapbewegingen
3. Wat krijgen kinderen soms na zwemles?
a) Een band
b) Een zwemdiploma
c) Een nieuwe badkleding
d) Een cadeau
4. Wie helpt de kinderen tijdens zwemles?
a) Ouders
b) Leraar
c) Vrienden
d) Broers en zussen
5. Waarom dragen kinderen een band?
a) Om te spelen
b) Om de veiligheid
c) Om de snelheid
d) Om een diploma te krijgen
6. Wat betekenen “steken”?
a) Op je rug liggen
b) Met armen bewegen
c) Met benen bewegen
d) Zonder hulp zwemmen
7. Wat dragen kinderen tijdens zwemles vaak?
a) Zwemdiploma
b) Badkleding
c) Sokken
d) Schoenen
8. Wat betekent “drijven”?
a) Zonder hulp zwemmen
b) Met armen bewegen
c) Op je rug liggen
d) Met benen bewegen
9. Hoe vaak hebben kinderen zwemles?
a) Elke dag
b) Twee keer per week
c) Eén keer per week
d) Een keer per maand
10. Wat helpt bij het drijven?
a) Een zwemdiploma
b) Een band
c) Zonder hulp zwemmen
d) Steken
Antwoorden bij de vragen
-
-
- a
- b
- b
- b
- b
- b
- b
- c
- c
- b
-
